Surinaamse vlag

13:31:27

Nederlandse Vlag

17:31:27

Surinaams / Hindoestaans Anno 1985

Geschiedenis


In 1593 werd Suriname door de Spanjaarden in bezit genomen, maar al snel weer verlaten. Ook Nederlanders stichtten er een vestiging, die echter evenmin stand hield. Na 1650 vestigde een groep Engelse kolonisten uit Barbados zich met succes aan de Surinamerivier. In 1667 telde hun kolonie 175 plantages en ruim 4000 kolonisten en slaven.
 In 1667 veroverden de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen Suriname en na de Vrede van Breda konden zij Suriname in bezit houden. In 1682 droeg de provincie Zeeland de kolonie over aan de West-Indische Compagnie (WIC), die een aparte naamloze vennootschap stichtte. Eenderde van de aandelen kwam in handen van de WIC, eenderde van de stad Amsterdam en eenderde van de familie Van Aerssen van Sommelsdijk.
 
Cornelis van Aerssen, werd de eerste gouverneur van Suriname. Hij zette zich in voor de vergroting van het aantal plantages. Door oorlog te voeren tegen de Indianen en de weggelopen slaven maakte hij Suriname aantrekkelijk voor Europese investeerders. Alle opvolgers van Van Aerssen zetten deze politiek ten gunste van de plantagelandbouw voort.
 De Surinaamse koffie en suiker werden op de Nederlandse markt verkocht. Nederlandse beleggers hebben tussen1751 en 1773 meer dan 60 miljoen in Suriname geïnvesteerd. In 1773 maakte een crisis op de Amsterdamse beurs een plotseling einde aan de kapitaaltoevoer naar Suriname. Veel planters hadden te veel geleend en konden de rentebetalingen en de aflossing niet voldoen en waren verplicht hun plantages te verkopen aan de geldschieters in Nederland. Voor de slaven was deze verandering van weinig betekenis. Zij bleven gedwongen om hun arbeid ter beschikking van de plantages te stellen. Hun aantal werd rond 1800 op 50.000 geschat. Na de verovering van Suriname door de Engelsen in 1799 werd in 1806 de aanvoer van slaven uit Afrika verboden. Door deze maatregel kon het sterfteoverschot onder de slaven niet langer door nieuwe aanvoer gecompenseerd worden. Doordat tweederde van de aangevoerde slaven mannen waren nam het aantal slaven langzaam af. Tevens liep een deel van de slaven weg en deze weglopers vormden aparte gemeenschappen, die de koloniale regering niet kon vernietigen en waarmee zij vredesverdragen afsloot om de plantages voor verdere aanvallen te vrijwaren. Deze voormalige slaven kregen de naam bosnegers.

In 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft en in 1873 werden de ex-plantageslaven echt vrij. In dat jaar verviel hun verplichting om jaarlijks een arbeidscontract met een plantage-eigenaar af te sluiten. Om het tekort aan arbeidskrachten op te vangen werden vele plantages samengevoegd. In 1862 telde Suriname 216 plantages, in 1913 nog 79. De totale opbrengst aan suiker bleef overigens door de eeuwen heen vrijwel constant, wel verdwenen de koffie, de cacao en de katoen.
 
Hoewel deze vorm van landbouw steeds minder economische betekenis kreeg, bleef de koloniale politiek gericht op de bevordering van deze sector. De overheid voerde ruim 30.000 Brits-Indiers naar Suriname en ruim 33.000 Javanen, die zich voor hun verscheping hadden verplicht voor de duur van vijf jaar op de plantages te werken, waarna ze naar huis konden terugkeren. In 1916 kwam aan de invoer van Brits-Indiers een einde door nationalistische oppositie in India tegen deze vorm van arbeidsmigratie. Aan de aanvoer uit Java kwam een einde door de achteruitgang van de plantages. Ongeveer tweederde van de Indiase en Javaanse contractarbeiders keerde overigens niet naar huis terug, maar vestigden zich in de kolonie, nadat de koloniale overheid na 1890 het bezit van kleine percelen voor de voedsellandbouw begon te bevorderen.
 
Buiten de plantagelandbouw waren er maar weinig economische alternatieven. De vondst van goud zorgde voor werk voor een deel van de voormalige slaven., terwijl de groei van het overheidsapparaat eveneens een aantal arbeidsplaatsen schiep. Van een industriële ontwikkeling in Suriname was maar beperkt sprake. Rond 1970 verdiende 23% van de beroepsbevolking zijn brood in de landbouw, 15% in de industrie en 40% in de dienstensector (overheid, ambachten).
 
De sociale structuur van Suriname werd in sterke mate beïnvloed door het gebrek aan contacten tussen de verschillende bevolkingsgroepen. De slavenemancipatie van 1863 had tot gevolg, dat een groot deel van de oorspronkelijk uit Afrika afkomstige bevolking de plantagelandbouw de rug toekeerde en zich richtte op werk in de bos- en mijnbouw en in de dienstensector. Hun plaats in de landbouw werd ingenomen door de Hindoestanen en de Javanen. Aan de top bevonden zich de blanke plantagehouders en de uit Nederland afkomstige bestuursambtenaren. De kleine creoolse middenstand voelde zich met de blanke bovenlaag verbonden.
 
De sociale machtsverhoudingen werden weerspiegeld in de Staten van Suriname, die in 1866 werden ingesteld. De leden van de Staten van Suriname werden tot 1901 benoemd door de gouverneur, daarna werden zij gekozen volgens het censuskiesrecht. In 1948 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd.
 
Na de oorlog werd Suriname een ruime mate van zelfbestuur verleend. In het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954) werd de positie van Suriname en de Nederlandse Antillen geregeld. Sedertdien werd door de politieke partijen een lossere band met het Koninkrijk nagestreefd. Delen van de voornamelijk onder de creoolse bevolkingsgroep aanhangers tellende Nationale Partij Suriname (NPS) en de Partij Nationalistische Republiek (PNR) streefden naar zelfstandigheid op korte termijn. De door Lachmon geleide Hindoestaanse Vatan Hitkari Partij (VHP) wenste nog een band met Nederland.
 
Onder premier Pengel en zijn opvolger J. Sedney nam het verzet tegen de slechte sociaal-economische situatie toe. Zo waren er stakingen bij het onderwijs (die tot de val van Pengel leidden) en bij de Suriname Aluminium Company (Suralco), terwijl begin 1973 een algemene staking plaatsvond. Bij parlementsverkiezingen in 1973 wist de Nationale Partij-kombinatie (NPK) de overwinning te behalen. Arron, voorzitter van de NPS en de NPK, vormde een nieuwe regering, die aankondigde het land voor eind 1975 onafhankelijk te willen maken. In oktober 1975 werd in het Nederlandse parlement een wet tot wijziging van het Koninkrijksstatuut aanvaard. In Suriname bereikten premier Arron en oppositieleider Lachmon, die zich tot dan toe zeer had verzet tegen onafhankelijkheid, overeenstemming over de Grondwet, die daarna werd aangenomen.
 Op 25 november 1975 werd de onafhankelijkheid van Suriname een feit. Ferrier, tot dan toe gouverneur, werd de eerste president. Premier Arron bleef leider van een NPK-kabinet. Na de eerste parlementsverkiezingen in het zelfstandige Suriname in oktober 1977, die door de NPK werden gewonnen, vormde Arron opnieuw een regering. In februari 1980 kwam een oud conflict tussen regering en beroepsmilitairen over de oprichting van een vakbond tot uitbarsting, wat uitliep op een militaire staatsgreep (25 februari1980). De burgerregering verdween en een aantal van de opstandige militairen, ondermeer Sital en Desi Bouterse, vormde een Nationale Militaire Raad (NMR), die verklaarde de macht overgenomen te hebben. Zij kondigden aan dat zij de corruptie willen beëindigen en belangrijke hervormingen willen invoeren. President Ferrier was aanvankelijk bereid de staatsgreep min of meer te legaliseren op voorwaarde dat er een burgerregering zou komen. Deze werd half maart gevormd en geplaatst onder leiding van Chin A Sen, een vooraanstaand lid van de PNR. Half mei aanvaardde het parlement een machtigingswet, die de regering verstrekkende bevoegdheden gaf en de rol van de volksvertegenwoordiging sterk verminderde. In de volgende jaren kende Suriname regeringen van verschillende signatuur. Wel hadden de militairen onder leiding van Desi Bouterse ( 'Bevel') het laatste woord. Een dieptepunt vormden de decembermoorden van 1982, waarbij vijftien prominente oppositieleden door de militairen werden geëxecuteerd.